Loading...
Wandelingen

Fysieke grenzen opzoeken en koeienangst – West Highland Way part II

hiking-west-highland-way

Weg van de bewoonde wereld de heuvels in. Totale stilte. Geiten en vogels en af en toe een medewandelaar. Frietjes en Schotse muziek. Op de vlucht voor enge koeien. Logeren in de caravan van wildvreemden. Je eigen kunnen overschatten en je fysieke grenzen leren kennen.

Je leest het, ook tijdens het middelste deel van de West Highland Way hebben we ons niet verveeld. In mijn vorige post heb je kunnen lezen hoe wij aan ons grote avontuur begonnen. Samen met mijn goede vriendin Yoshi heb ik namelijk 154 km door de Schotse Hooglanden gewandeld. We hadden een rugzak vol kampeerspullen en eten mee en kampeerden ‘s nachts in het wild. Een groot avontuur waar ik jullie graag meer over vertel.

 

Etappe 4 – Loch Lomond naar Crianlarich

Zoals je in mijn vorige post hebt kunnen lezen stonden we de 3e nacht aan Loch Lomond.
We werden al vroeg gewekt door een koekoek die over het loch riep. Dat kwam goed uit, zo konden we de meeste ultra-runners voor zijn op het pad langs Loch Lomond, en ze dan later op het bredere pad na Inverarnan laten passeren. De tent was opnieuw erg nat, waardoor de tas alleen maar zwaarder werd. De blaren op mijn hakken waren er na de etappe van gisteren ook niet beter op geworden, dus de dag begon fysiek zwaar.

De West Highland Way leidt ons langs Doune bothy en de ruïne van het huis dat daar ooit naast stond. Wat een geweldige ‘achtertuin’ hadden de mensen die daar ooit woonden!

Een uur later lopen we onze laatste meters langs Loch Lomond. Gek om na zolang langs het water gelopen te hebben opeens geen water meer te zien aan onze linkerhand. We lopen heuvelop, weg van het loch. Nu horen we het geraas van het verkeer op de grote weg aan de andere kant van Loch Lomond niet meer. We horen enkel nog het gezang van de vogels en het stromen van water uit de heuvels. Er ligt een groep wilde geiten te zonnen in dorre varens, totaal niet onder de indruk van de vroege bezoekers.

Na een afdaling komen we terecht op Beinglas Farm camping. Een hele opluchting om het lawaai van de verzorgingspost van de ultramarathon te horen, aangezien ik de hele ochtend ‘Dag Sinterklaasje’ in mijn hoofd had (wat dan veranderde in ‘Dag Luie Geitjes, daaag, daaaag’ en ‘Dag mooi lochje, daa-aaag daaa-aaag’, etc.). Zo lang offline zijn doet gekke dingen met je hoofd.

Op de camping kunnen we eindelijk onze voedselvoorraad aanvullen. Om de eerste runners alvast wat te laten passeren, besluiten we een kop thee te drinken in de lokale Drover’s Inn. Uiteraard met patatje erbij, ik heb een enorme behoefte aan zout deze dagen. De pub is gebouwd in 1705 en ziet er nog net uit als vroeger. Zwarte muren, kaarsen en lantaarns en her en der opgezette dieren en oude schilderijen. Er klinkt Schotse muziek en de bediening (in kilts) is zo vriendelijk dat het voelt als thuiskomen. De ober geeft ons beiden voor we weer vertrekken een narcis, die hij aan onze rugzak vastmaakt. Onze ‘lucky charms’. Een man in kilt die patat voor je bakt en ook nog eens zo attent is, wat wil een vrouw nog meer 😉

Na een paar uur besluiten we dat het ‘veilig’ is weer op pad te gaan zonder de runners in de weg te lopen. We volgen een lang, breed grindpad met links watervallen en kloven waar we helaas niet dichterbij kunnen komen. Het pad loopt hier heuvelop door een open landschap. Het pad lijkt eindeloos lang omhoog te slingeren maar is goed te doen. We moeten bijna kruipend door een schapentunnel om aan de andere kant van een grote weg te komen. aan de andere kant van de weg gaan we weer heuvelop. Hoger op de heuvel hebben we geweldig uitzicht op de omliggende bergen. We volgen dit pad urenlang en worden continu gepasseerd door runners. Onder hen hangt een gezellige sfeer en de toeschouwers langs het pad maken graag een praatje met ons. Toch jammer dat ze voor ons niet zo hard klappen als voor de ultra-marathonlopers, maar ook begrijpelijk.

Verderop verdwijnt ons mooie grindpad onder een dikke laag koeienpoep+modder. Ironisch genoeg lezen we aan het begin van die prut een bordje waarop staat dat een organisatie dit stuk pad gerestaureerd heeft in jaar X. Laat dit nou net het stuk pad zijn dat er vandaag de dag als ergste aan toe is… Het duurt even, maar het lukt ons om zonder kniediep in de poep te zakken de overkant te bereiken.

De West Highland Way loopt officieel niet via Crianlarich, maar om onze stempel te halen besluiten wij van het pad bergaf naar het dorp te lopen. Omdat onze camera-accu’s leeg raken stoppen we in de pub voor een kop thee. Na de lange dag lopen hebben we eigenlijk niet zoveel zin meer om de berg weer op te lopen en in het bos daar boven te kamperen. Gelukkig zien we aan de andere kant van de weg een grote open vlakte aan een riviertje, met uitzicht over de bergen. Een paradijsje, waar we onze tent opzetten. We zitten al snel in pyjama ons avondeten te bereiden, supertevreden met onze topplek. Yoshi stuurt heel blij foto’s van de koeien aan de overkant (met kleine kalfjes die uit alle hoeken tevoorschijn kwamen) van de rivier naar haar ouders.

Terwijl we zitten te genieten van ons bekertje pasta, steekt de eerste (moeder)koe de rivier over. Al snel volgen er meer. Blijkbaar hebben ze ergens een ingestort stuk oever gevonden en daarmee hun weg naar ‘ons’ grasveld kunnen vinden. Ik ben als klein kind achterna gezeten door een boze mama-koe, dus bij mij gaan alle alarmbellen af. De koeien komen steeds dichterbij en zijn totaal niet onder de indruk van onze overdreven bewegingen om ze van ons weg te houden. We besluiten de tent in te pakken, en binnen 10 minuten staan we weer buiten het natuurgebied. Recordsnelheid tent afbreken en tas inpakken, hoera!

Twee Britten hebben alles vanuit hun camper kunnen volgen: twee vrouwen die een tent opzetten, vervolgens genieten van hun avondeten en 5 minuten later het weiland uit snelwandelen terwijl ze angstig achterom kijken. Ze vragen of we last hadden van mieren? Uhm nee …
We ontmoeten een local die ons vertelt dat het goed is dat we vertrokken zijn, omdat hij vorig jaar door diezelfde moederkoeien uit het niets aangevallen. Oké, goede beslissing dus, maar waar gaan we nu slapen?

We zien het niet zitten in het donker de berg op te gaan. Het enige andere plekje waar we zouden kunnen kamperen in dit dal is op een grasveld midden in het dorp. Voor het politiebureau, en kamperen binnen de bewoonde kom is niet toegestaan. We moeten dus op zoek naar een overnachtingsplek in een hotel of hostel. Na een dik uur rondvragen blijkt dat onze enige optie een luxe twin suite in het hotel is, voor 190 pond per nacht (we zijn er nog niet over uit of dat voor ons beiden of per persoon zou zijn). Slik, zo wanhopig zijn we ook weer niet.

Terug het dorp in. Het begint te regenen. Het is inmiddels donker. We lopen in onze pyjama’s en met uitpuilende, slecht-ingepakte rugzakken. Uit pure wanhoop bellen we aan bij een huis met gras in de tuin om te vragen of we daar onze tent op mogen zetten. De bewoonster doet open, luistert naar ons en zegt dat haar buren daar bezwaar tegen zouden hebben. Haar advies: zet je tent toch op dat veldje tegenover het politiebureau en stuur de agenten maar door naar mij als ze er wat van zeggen.

In de stromende regen spreiden we de tent daar dan toch maar uit. Alles staat gelijk onder een laag water. Ik ben zo moe dat ik niet eens meer kan bedenken hoe de tent opgezet moet worden.
Dan zien we een meneer onder een paraplu het veld op lopen. Hij blijkt de man te zijn van de mevrouw met de voortuin. Hij zegt: ‘kom maar in onze caravan op de oprit slapen’. Ik moet me beheersen die meneer te knuffelen. En zo brengen we die nacht door in een verwarmde caravan, mét toilet en waterkoker! Ohh wat ben ik dankbaar voor het vertrouwen van deze lieve mensen.

 

 

Etappe 5 – Crianlarich naar Tyndrum

Een klop op de deur van de caravan. Of we ook een kop koffie willen? Superlief! Door de deuropening zien we dezelfde bergen als gisteravond, maar nu onder een laagje sneeuw. Wij hebben niets van die nachtvorst gemerkt en zijn extra dankbaar dat wij zo warm en droog sliepen.

Aangezien we onszelf de voorgaande dagen iets teveel fysiek uitgedaagd hebben, lopen we deze vijfde dag een relatief korte afstand. We vertrekken laat, zodat onze spullen nog zoveel mogelijk op kunnen drogen in de caravan.

Vanaf Crianlarich lopen we bergop over het bospad waarover we gisteren naar beneden kwamen. Vervolgens gaan we verder heuvelop, tot we op een kale plek staan en prachtig uitzicht hebben op de toppen van  Ben More en Stob Binnein. De route gaat vervolgens voornamelijk heuvel af door dennenbos.

In het dal steken we een rivier over. We gaan van bos aan de ene kant naar open landschap aan de andere kant. Aan de andere kant van de rivier vervolgen we over een pad door frisgroene weilanden, de rivier maakt de grond daar erg vruchtbaar. In de velden lopen schapen met pasgeboren lammeren, sommige kleintjes zijn nog nat van de geboorte. Anderen zien we hun eerste stapjes maken. We genieten van al dat nieuwe leven in het laatste beetje zon.

Een nadeel (of voordeel, ik ben er nog niet over uit) van weids uitzicht is dat je regenbuien van veraf aan ziet komen. Sommige wolken zijn zo donker dat je al weet dat je enkele minuten later verwijnt in een regengordijn. Plekken om te schuilen zijn er niet. Regenkleding aantrekken en een lesje in accepteren. Zoals de Schotten zeggen: “In Scotland, there’s no such thing as bad weather, only the wrong clothes”.

Enkele uren later, als we in Tyndrum aankomen, is het weer droog. We vinden een camping (Pine Tree Leisure Park) en besluiten daar de nacht door te brengen. We hebben gezelschap van een Californische en een Australische die de WHW beiden alleen lopen. Ik ben blij dat ik gezelschap heb van lieve Yos!
We genieten van een warme douche en onze welverdiende rust. De blaren op mijn voet zijn inmiddels zo groot dat ik niet goed meer in mijn schoenen pas. Yos krijgt de taak om ze lek te prikken, met gevaar voor eigen leven want ik ben bang voor naalden en pijn. Het blijkt mee te vallen; er zit zoveel verdovende zalf op de huis van mijn voeten dat ik niet eens pijn voel.
Helaas blijkt ’s nachts dat wij een buurman hebben die de hele nacht onregelmatig snurkt. Hij snurk zelfs zo luid dat de vrouwen aan de andere kant van het veld ’s morgens hun medelijden met ons komen delen… Wildkamperen is dus niet alleen erg mooi en goedkoop, maar ook beter voor je nachtrust.

 

 

Etappe 6 – Tyndrum naar Kingshouse

Onderweg naar Tyndrum hebben we gisteren uitgebreid nagedacht over het gewicht op onze rug. We zijn er zo klaar mee dat we een doos halen bij de lokale supermarkt en deze volstoppen met alles wat we niet per se nodig hebben de komende drie dagen. De volle, toch wel zware doos brengen we naar het postkantoor om hem te laten verzenden naar het postkantoor in Fort William. Dit klinkt simpel, maar het duurt een goed uur voordat de winkelmedewerker en ik elkaar begrijpen en alles geregeld is.

Aan het eind van de ochtend kunnen we dan eindelijk op pad. Een oude militaire weg, zo uit het dorp de Highlands in. Ik loop met geprikte blaren, verband, een gelsok en een extra laag sokken. Ik hoop dat ik op die manier de dag door kom en niet vanwege beschadigde voeten de WHW op hoef te geven. Het scheelt dat het pad naar Bridge of Orchy goed begaanbare en redelijk vlak is. We merken dat onze tassen lichter zijn en voelen ons superfit. Het heerlijke weer doet ook veel goeds voor ons humeur.

Een paar uur later komen we aan bij Bridge of Orchy. Hier staat een bankje aan het water. De zon schijnt en we genieten van de warmte terwijl we uitkijken over de rivier en het uitgestrekte landschap daar achter. Het kost ons wat moeite weer op pad te gaan, het zit daar zo lekker.

Nadat we onszelf streng toegesproken hebben, vertrekken we weer. We lopen heuvelop door een dennenbos. Eenmaal uit het bos hebben we prachtige uitzichten over Rannoch Moor en Loch Tulla. Het loch weerspiegelt de strakblauwe lucht, een ‘blauw’ meer te midden van met heide en dood gras bedekte heuvels, ik kan daar zo een paar uur naar blijven kijken.

Heuvel af, richting Inveroran Hotel, komen we een groep jonge edelherten tegen. Zij zijn duidelijk wel gewend aan menselijk contact en sjokken rustig voor ons uit.
Om vier uur komen we bij het hotel aan, met een goede 16 km al in de benen. Ik weet niet of het door het prachtige weer of door de lichtere rugzak komt, maar we voelen ons erg fit, alsof we nog bijna niets gedaan hebben. Een groepje aangeschoten mannen op het terras vertelt ons dat het weer ’s nachts om gaat slaan en dat het niet handig is met weinig zicht de moor (veengebied) over te steken. Yoshi en ik kijken elkaar aan en we weten beiden wat er gaat gebeuren: wij gaan ‘nog even’ 16 km Rannoch Moor oversteken die avond, hopelijk voor het donker wordt. De mannen kijken ons aan alsof we niet helemaal lekker zijn, maar lachen dan en wensen ons succes. Ze zeggen dat het pad vlak is, net als dat van eerder die dag. Nou, moet te doen zijn!

Al snel zou blijken dat we onszelf lichtelijk overschatten. Het pad bestaat volledig uit een soort kinderkopjes. Behoorlijk ongelijk en dus pijnlijk voor de voeten en beenspieren. En echt vlak is de route ook niet. Kleine heuveltjes, maar voortdurend op en neer is toch vermoeiend. Maar dat uitzicht, wooow, dat maakt het allemaal goed. Het lage avondzonnetje schijnt op de omliggende bergen met sneeuw op de toppen. We lopen gewoon met z’n tweetjes in 50 vierkante mijl totale leegte. Dan voel je je écht wel even nietig hoor! We horen niets dan onze eigen voetstappen en her en der wat vogeltjes, en voelen ons even helemaal alleen op de wereld.

Halverwege het pad over de moor, op een brug met de naam Ba Brigde, nemen we even pauze. Zodra we stoppen merken we dat onze lichamen 24 km in de benen niet zo goed trekken. We hebben nog 8 km te gaan en de zon staat al vrij laag. We kunnen niet blijven zitten, want we willen niet in het donker lopen. Eén navigatiefout en we zitten in het veen.

In het boekje staat ‘volg het pad de heuvelrug die je in de verte ziet over’, niet heel motiverend want die heuvelrug was écht nog heel ver aan de horizon…

In stilte, afwisselend in gedachten verzonken en genietend van het uitzicht, lopen we verder. Of misschien moet ik zeggen: strompelen we verder. Eindelijk bereiken we de top van de heuvelrug. Achter ons kijkend zien we de uitgestrekte Moor en hoe ver we die dag al gelopen hebben. Voor ons zien we de Glen Coe vallei met daar omheen prachtige bergen met witte toppen. We lopen verder heuvelaf, helemaal tot in het dal. Yos zegt al een hele tijd niets als ik opeens hoor ‘wat een tering-takke-eind zeg’. Daarna is het weer lang stil. Ik was zelfs te moe om foto’s te nemen, hoewel ik blijkbaar nog wel wat energie vond om Yoshi’s ‘ik zit zo stuk’-gezicht en -loopje te fotograferen (deze foto’s blijven onder Yos en mij zoals je zult snappen).
De zon schijnt tussen de heuvels door de vallei in, daar gaat mijn fotografenhart sneller van kloppen hoor. Dus toch nog even die camera uit de tas en snel wat foto’s maken.

We steken de grote weg over en lopen het (relatief) korte laatste stuk naar Kingshouse Hotel. Achter dit hotel bevindt zich een stuk gras langs een watertje, waar je gratis mag kamperen.

Hoe we de tent opgezet hebben gekregen met die vermoeide spieren weet ik niet, maar hij staat er. Zoals onze Nederlandse wildkampeer-buren de volgende dag tegen ons zeggen: “We dachten; óf ze hebben vreselijke ruzie gehad onderweg, óf ze zijn he-le-maal kapot”. Dat zegt wel iets over hoe stuk we zaten… Ach, gelukkig geen ruzie en ondanks de vorst ’s nachts uitstekend geslapen.

Genoten?

Word je helemaal blij van alle Schotlandfoto’s? Je hebt geluk, er komt nog een post met het derde en laatste deel van de West Highland Way aan. Daarna zal ik ook een bericht schrijven waarin ik je vertel over de voorbereidingen en andere praktische zaken 🙂
Blijf op de hoogte via mijn Facebookpagina.

Hoogteprofiel West Highland Way wandelen
Hoogteprofiel van de gehele WHW. In etappe 4 t/m 6 lopen we van net voor Inverarnan tot Kingshouse. Bron: www.westhighlandway.org

 

Lees hier het laatste deel van het West Highland Way reisverslag.